Jan Graven: ‘Kleinschaligheid gaat steeds meer regeren in de reguliere zorg en verpleging’

Jan Graven gaat dieper in op de ontwikkelingen en transformatieprocessen in de zorg. Hij wijst tijdens het gesprek met regelmaat op sociale innovatie, burgerinitiatieven, het ontstaan van zorgcoöperaties en de opmars van de kleine, vaak lokale/regionale private investeerders.

“Grote zorgorganisaties moeten zich vooral richten op de specialistische en intensieve zorg en verpleging. Anderzijds moeten zij verbindingen maken met onder meer de ziekenhuizen. De kleinschalige vorm van zorgorganisaties ontstaan vanuit de burgers en private personen en kenmerken zich door transparantie, toegankelijkheid, verantwoordelijkheid en professionele zorgverlening met een herkenbare en zichtbare menselijke maat.” Graven baseert zijn visie op decennialange ervaring in de wereld van de zorg.

Transformaties
Door wijzigingen in de financiering en wet- en regelgeving oriënteren grote zorgorganisaties zich op hoe om te gaan met hun huidige vastgoed en toekomstige investeringen. “De in gang gezette transformaties leiden tot innovatieve oplossingen. Ondernemend denken is een vereiste”, constateert Graven. Mooie voorbeelden zijn en ontstaan in de diverse zorgsectoren (ouderenzorg en zorg voor mensen met een beperking). Daarbij is de focus verlegd van vastgoed naar (vastgoed)concepten vanuit een visie op de samenleving waarbij verbindingen worden gelegd door ‘boventallig’ vastgoed te transformeren naar betaalbare huisvesting voor onder andere studenten en starters. Als tegenprestatie leveren deze doelgroepen vaak een bijdrage aan de zorg of instelling. Deze maatschappelijke inzet van het bestaande vastgoed en het conceptueel denken heeft ook een positieve impact naar potentiële investeerders.

Lokaal/regionaal
Graven voorziet een grote toekomst voor kleine lokale en regionale zorgaanbieders. “De mensen van nu willen betrokken worden bij de zorg en dienstverlening. Er ontstaat een zichtbare groei naar private initiatieven, die zich speciaal richten op bepaalde doelgroepen of sector overstijgende projecten opzetten.” Die uitspraken staaft hij met een voorbeeld in Dorst (gemeente Oosterhout). “Daar wonen zowel mensen met een beperking, mensen met een GGZ-indicatie als ouderen waarvan de zorgvragen variëren van lichte zorg tot 24-uurs intensieve zorg. Er wordt dagbesteding en fysiotherapie aangeboden. De locatie ligt in het ‘hart‘ van het dorp. Aan de ‘keukentafel’ ontmoeten de mensen elkaar.”

Sociale omgeving
Belangrijk vindt Graven dat ouderen of mensen met een beperking in de eigen sociale omgeving blijven wonen. “Je ziet steeds meer ‘zelforganisaties’ ontstaan, noem het zorgcoöperaties. Op dit moment zijn er ruim 20 initiatieven in Brabant in ontwikkeling. Voor de realisatie van deze kleinschalige projecten zijn vastgoedinvesteerders nodig die voor een redelijk rendement willen investeren. Het zoeken naar private investeerders en professionele beleggers is nodig omdat woningbouwcoöperaties zich door regelgeving vooral richten op de sociale woningbouw, hun corebusiness. Gelukkig zien we dat investeerders bereid zijn te investeren in kleinschalige projecten waarbij de investeringen meestal liggen tussen de 4 á 5 miljoen euro. Investeerders, die zich maatschappelijk betrokken en verantwoordelijk voelen. Zij zien in dat kleinschalige woonzorgvoorzieningen, gesitueerd in het hart van de samenleving, investeringen zijn die een beperkt risico hebben en door hun omvang en opzet eventueel met een geringe transformatie zijn aan te wenden voor de reguliere woningmarkt.”

Private investeerders
Het maakt de weg vrij voor private investeerders maar ook voor gemotiveerd personeel dat zelf vaak onderdeel uitmaakt van diezelfde gemeenschap. “Werken in de eigen gemeenschap en zorgen voor mensen waarmee je een raakvlak hebt, geeft wellicht extra energie en meer balans tussen professie en werken vanuit het ‘hart’.” Graven wijst op de groei van deze initiatieven. Zowel in sectoren voor mensen met een beperking als ouderzorg is de groei significant groot. Mooie voorbeelden zijn Zevenhoek (Tilburg) en het TICO-huis (Oosterhout). Beide kleinschalige projecten (16 en 18 appartementen) organiseren de zorg zelf. “Met het oog op de investering in het vastgoed is dat lucratief en er kleeft een sociaal aspect aan. De keerzijde is wel dat er meer investeerders nodig zijn die tevreden zijn met een redelijk rendement waardoor betaalbare huur mogelijk blijft.”

Zorgbudgetten
Graven schetst ook het positieve aspect aan de financiële zijde van de zorgbudgetten. “Bij zorgcorporaties en kleinschalige zorgorganisaties staat ‘geen verlies’ centraal in plaats van winst maken. Een ander belangrijk aspect is dat het geld komt waar het thuishoort, ten behoeve van de bewoner(s).” Vanzelfsprekend is er oog voor de financiële kant maar centraal staat de kwaliteit van de zorg. Tot slot geeft Graven een ultiem voorbeeld van hoe mooi het kan zijn: “In de kleinschalige private woonzorgvoorziening in Dorst woont een jonge man met een beperking zelfstandig in een zorgappartement. In hetzelfde complex wonen zijn hoogbejaarde ouders in een zorgappartement. Begeleid wonen voor de zoon en zorg op afroep voor zijn ouders. Door deze ‘ontschotting’ van zorg en huisvesting kunnen niet alleen kind en ouders blijven wonen in elkaars nabijheid, maar breng je vanuit en conceptuele benadering ook jong en oud bij elkaar aan de ‘keukentafel’. Hoe mooi kan het zijn?” 

Dat er nog grote stappen gezet moeten worden, erkent Graven. “We zijn op de goede weg. Het transformeren en opschalen van de huisvesting zijn belangrijke punten maar vergeet ook de opleiding van zorgmedewerkers niet. Ook op dat vlak moeten er nog stappen voorwaarts worden gezet.” 

Jan Graven begon als verpleegkundige en werkte zich op tot directielid in een grote zorginstelling. Hij werkte drie jaar in het beroepsonderwijs (zorg). De laatste 13 jaar was hij onder meer belast met de vastgoedtak van een zorginstelling. Onder zijn verantwoordelijkheid werden circa 50 kleinschalige projecten gerealiseerd in Brabant. Nu heeft hij zijn eigen adviesbureau ‘Chaan is niet stilstaan’. 

Tekst en beeld: Willem de Volder